Hoofdstuk 10: Niets is wat het lijkt

Eén week later, zondagavond.


Het is laat. Edgar en Carmen hebben hun eerste najaar-weekend ingezet. Dagjesmensen blijven meer en meer weg, de herfst kondigt snel en vroeg een kille doodse tijd aan. De zomerperiode brengt veel geld binnen, en dat is nodig om de kalme wintermaanden te overleven. De herfst is onverwacht vroeg en presenteert in sneltempo de winter.
Edgar en Carmen beginnen hun rush tegen de stille rustige inkomstenstroom. Een gevecht om het maximale uit de dalende inkomsten te halen. Om zo min mogelijk het zuinig bijeen gespaarde spaarpotje te moeten aanspreken. Mijn werk zit er op, vandaag is m’n laatste ‘service’.

Carmen wilde absoluut pas na het einde van de werkdag afscheid nemen.
Ze had ma ‘s avonds om 7 uur gebeld, de shift zou tot 10 à 11 uur duren. Daarna kon ik weg.
We wisten dat het geen goed idee ging zijn om rond 7 uur nog op te bellen – met alle waarschijnlijkheid der zekerheden had ma al alcohol binnen. Over de hoeveelheid zouden we ons geen vragen moeten stellen. Niemand van ons voelde zich goed bij dat vooruitzicht. Dit was de realiteit.
Maar los van dit alles: Dit ging het niet om ma.

Het gaat om mij.
Ik zit in de auto, achteraan, rechtsachter. Ik staar door het raam rechts van me, blik op oneindig. M’n broer zit links van me, hij staart door het raam aan z’n eigen kant, al even oneindig als ik, lijkt het wel. Ik vraag me niet af waarom hij was meegekomen.
Het gaat om mij.

Ma rijdt schokkerig en ongeduldig. Edgar had haar gewaarschuwd, bijna tegengehouden. Ma deed wild, ze ontkende dat ze alcohol had gedronken nog vóór dat iemand daar ook maar kon of durfde aan denken.
Ze schreeuwde niet en riep niet, en toch klonk het schreeuwend en roepend.

Zonder gemor had ik m’n tassen in de koffer gezet. Carmen stak me nog een plastic tas toe, “voor op een moment dat ik alleen ben” had ze er bij gefluisterd. Ik was verrast en nieuwsgierig, maar toch moffelde ik zonder meer de tas in m’n tweede niet al te volle sporttas weg.

Een half uur later zijn we thuis. Broer spurt vliegensvlug naar z’n kamer en smakt de deur wild en luid dicht.
Het klinkt alsof hij een onweer-gesprek van ma aankondigt.
Ik til m’n tassen uit de koffer, wens ma welterusten. Ik fris me nog even op in de badkamer boven. Ik luister aandachtig, ik laat het water traag in het bad lopen en ik hou m’n hand onder de waterstraal, zodat het niet onnodig lawaaierig klettert, en ik blijf aandachtig luisteren. Ik verwacht elk moment gebonk op de trap, een wild openvliegende deur en razende razernij.
Het blijft stil.
Zelfs de TV hoor ik niet.

Ik blijf een tijdje in de badkamer.
Ik zit in bad, de douchekop op hetzelfde zachte straaltje als de kraan daarnet, m’n knieën opgetrokken, m’n armen op m’n knieën steunend en m’n hoofd op m’n handpalmen rustend.
Je zou denken dat ik zit te huilen. Maar ik huil niet. Het water van de douchekop stroomt zacht en trekt lijnen over m’n wangen. Lijnen als van tranen.

Tranen om mezelf
Tranen die een verhaal vertellen
Waarvan ik niet weet hoe het eindigt

Een sprookje, er was eens…
Ik glimlach bij het idee dat er een heks meespeelt – ongevraagd
Ik glimlach bij het idee dat er verschillende leukerds meespelen – wel gewenst

Ik laat een traan
Omdat ik gevangen zit
En niet weet hoe ik moet ontsnappen

Ik laat een traan
Omdat ik triest ben
Omdat dit niet is wat ik wil

Met gerimpelde vingers en tenen, en doorweekt van de kille koude droog ik me af. Ik trek een warme trainingsbroek aan en sluip naar m’n kamer. Ik blijf aandachtig luisteren. Nog steeds geen vlammende razernij, nog steeds geen woede-uitbarsting. Vreemd. En toch enigszins opgelucht.

Ik grijp een willekeurige kaptrui mee en sluip de trap af, naar buiten.
Meteen een grote verrassing: Op m’n plekje achter het tuinhuis wacht m’n trouwe vriend op me: Garfje! Hij krult z’n staart van contentement, hij vleit z’n lijf rond m’n benen, het kan niet snel genoeg gaan! Ik twijfel geen seconde, ik neem hem in mijn armen en ga zitten, met m’n rug leunend tegen het tuinhuis. Garfje op m’n schoot gekronkeld. Spinnend. Ronkend. Z’n motortje verraadt dat hij me miste, en dat hij blij is dat ik terug ben. Ik ben zelf ook erg blij, intens blij, m’n lieve, lieve Garfje terug bij me. Wat heb ik hem gemist…
Ik kan het niet helpen. Het komt als vanzelf. Een traan valt op Garfje z’n vacht. Met gesloten spleetoogjes kijkt hij me aan, één pootje steekt hij uit, alsof hij een vallende traan wou grijpen of tikken, alsof hij wou aaike doen, alsof hij wou knuffelen, alsof hij wou doen van “kom lieve jongen, huil niet, ik ben bij je”.

We moeten samen in slaap gevallen zijn. Een zuchtje wind aait me wakker. Ik kijk rond me, het is nog steeds donker. Sterren glinsteren aan de hemel, de stilte knispert traag.
Ik kijk om de hoek van het tuinhuis. Vaag licht in de woonkamer verraadt dat ma nog beneden is. Ik hoef niet te gaan kijken om te weten dat de TV nog aan staat, ik hoef niet te gaan kijken om te weten dat de lege flesjes bier op de salontafel staan, en op het aanrecht in de keuken zullen er vast en zeker ook nog lege exemplaren staan.
Ongetwijfeld is de collectie nog aangevuld na m’n thuiskomst.
Wat maakt het mij uit…
Zichzelf in slaap gedronken. Gezopen. Zoals elke avond. Wat bezielt dat mens toch?
Zou ze nog aan het gesprek met Carmen denken?
Carmen had me over het gesprek verteld, afgelopen zondag, toen ze naast me was komen zitten aan de strandcabine.
Ma vond me koppig, ze wilde niet begrijpen waarom ik zou denken dat ik bi of homo zou kunnen zijn. Ze verdacht me er van rond te hangen bij het uitschot, die hebben op heel het dorp een slechte invloed. Dus ook op mij, dacht ze. Ze wilde me weghouden bij slechte invloeden en ging me verbieden om uit te gaan. Ze zou er alles aan doen om te vermijden dat ik jongens zag. Ik moet een meisje leren kennen. Dat was het enigste dat mocht. Meisjes.
Dat andere… Dat kon niet, dat mag niet, dat was slecht, ik ben niet “zo”, dat was ziek en ze heeft me niet ziek gemaakt.
Dat was Carmen haar samenvatting van het gesprek. Ik kan me dat gesprek zo voor de geest halen…
Ik reageerde terneergeslagen naar Carmen toe, ook al wist ik dat Carmen me niet kon helpen.

Wat is het nut van een verbod om het uitschot te zien? Ik ging er niet mee om. Waar maakt ze zich druk over?!
Wat is het nut van een verbod om uit te gaan? Ik moest vroeger al vóór 22h thuis zijn, fuiven begonnen niet eerder dan 23h of zelfs pas om middernacht. Wat een klucht…
Wat is het nut van een verbod om met jongens om te gaan? Moet ik naar vrouwen-bijeenkomsten gaan? Meisjes-activiteiten? Tupperware-avonden? Nog meer geklucht.
Maar hoe maak ik haar dat wijs? Dat kan niet, dat gaat niet. Er valt met ma niet te spreken, dat is bewezen.

Ik lachte die avond toen Carmen vertelde. Ik lachte ingetogen, spottend.

Het was dezelfde razernij die m’n tante me naar m’n hoofd had geslingerd.

Ik zucht. Het mocht dan wel te gek voor woorden zijn, maar deze vrouwen hadden deze homo wel in hun macht.
Ik ging dat idee onthouden. Misschien kon ik er later wat mee. “Jullie man-onvriendelijk gedrag maakte me zó nieuwsgierig naar mannen, en door jullie overdreven vervrouwelijkte gedoe ben ik vanzelf homo geworden!”.
Nee. Dat was niet ik. Dat was niet zo. Dat ging ik nooit denken of uitspreken. Het zou ook niet helpen om hen te verlossen van het oubollige denken. Nee. Dit zat dieper, daar had ik geen grip op. Maar dat wilde ik eigenlijk ook niet. Ik wil nu voor mezelf zorgen.

Ik zet Garfje naast me en sta op. Ik sluip naar m’n kamer, ik kijk in de plastic tas die Carmen me nog snel stiekem had toegestopt.
Twee vierkante kartonnen dozen, hetzelfde formaat, en één rechthoekige doos, wat langer maar even breed. In de twee vierkante dozen zit een fles wijn, de witte wijn die Edgar schenkt. Waauw, denk ik…
In de derde doos zitten een paar boekjes, het lijken wel tijdschriften. Er is ook een envelop, en een kurkentrekker. Ik glimlach breed. Carmen toch… Wat een schat!

Ik smokkel één van de flessen, de kurkentrekker en een glas uit m’n kamer mee naar buiten. Ik heb een paar gewone frisdrank-glazen op m’n kamer, handig wanneer het glas van de dag ervoor er nog staat, versierd met een bodempje kleverige cola…
Ja, soms vertoon ik wel eens nerd-trekjes… So…

Garfje draait zich in m’n armen. Hij kijkt met z’n spleetoogjes naar mij. Hij lijkt wel te glimlachen. Z’n motortje ronkt tevreden.

We vallen weer in slaap. De nacht sluipt voorbij. Het is weer helder wanneer we ontwaken. Ik ben alle besef van tijd kwijt.

In de woonkamer speelt de TV nog, het licht brandt nog. Ik doe geen moeite meer om het licht te dimmen.
Lege bierflesjes staan op de salontafel, nog meer lege flesjes op het aanrecht in de keuken. Ik gooi koffie in een filter in het koffieapparaat, een druk op de aan-knop doet water pruttelen.

Ik moet de fles wijn en kurkentrekker niet smokkelen. Ma slaapt nog, dat konden zelfs de buren horen.
En voor de wijnfles moet ik me niet schamen: Ik kwam niet verder dan één bodempje van het frisdrank-glas…

Eén maand later.

Ik sta te wachten op het perron, de trein rolt traag maar overtuigend het station binnen, en stopt vloeiend.
Deuren openen, reizigers stappen uit, anderen stappen in.

Ik stap mee in. Met het gratis krantje “Metro” installeer ik me op een smal tweezitsbankje. Ik zit met m’n rug naar de rijrichting, en kijk ‘achterwaarts’. Dat vind ik niet erg, zo heb ik het smalle tweezitsbankje voor mezelf en moet ik me niet onhandig smal maken.

We zijn eind oktober, donderdagochtend. Vandaag en morgen heb ik geen les, en volgende week is een week vakantie. Herfstvakantie. Eén en twee november.
Een krantenartikel kopt “chrysanten-verkoop bloeit”.
Gevoelloze ironie.

Ik blader verder, ongeïnteresseerd.

De trein mindert vaart en stopt in een lokaal station. Nieuwe passagiers wringen zich een weg tussen de rugzakken en schooltassen. Het is duidelijk dat niet iedereen opgezet is met de berg bagage die schoolgangers moeten meesleuren. Het is duidelijk dat de schoolgangers het gemor van niet-uitgeslapen en vermoeide werkmensen niet op prijs stellen.

De trein zet zich met een schok in beweging. In één keer zijn we allemaal onze zorgen en ergernissen vergeten.
Ongeïnteresseerd staart iedereen door het beduimelde raam naar buiten.

Ik ook. Ik laat het krantje opgevouwen voor me liggen.
Ik staar in de verte. Het is nog donker. Pas als we straks uitstappen, zal de hemel lichter kleuren. De trein hobbelt verder, op weg naar het volgende lokale station.

Ik denk terug aan Stijn. We spraken weinig. We voelden vanzelf wat wel of niet kon, het ging vanzelf. Het voelde goed.
Ik besef dat ik hem wellicht nooit meer ga zien.

Ik denk terug aan Bas. Ik ben afgelopen week nog langs gefietst. Hij was alleen, hij zat wat in het gras van de laatste zonnige middag te genieten. Hij was stil, hij zei weinig, in zichzelf gekeerd, weggedoken. De glinstering in z’n ogen was er niet. Niet meer.
Ik besef dat hij ver zit. Opgesloten, onder het juk van Gerda.
Ik denk dat ik de enigste ben die hem van het juk kan verlossen.
En tegelijk vraag ik me af: Heb ik daar de energie voor? Wil ik dat wel? Wil hij dat wel? Weet hij wel dat het kan?

Ik weet het antwoord. Maar daar moet ik nu niet aan denken. Ik moet eerst aan mezelf werken. Ik heb dingen in gang gezet, ik moet er door. “Moeten” is misschien niet het juiste woord. Ik wil er door. Ik wil iets. Ik ga er voor.

Ik denk terug aan Carmen. We hadden de laatste dagen van de laatste werkweek nog veel en goeie gesprekken. Ik zag uiteindelijk genoeg moed om er zelf over te beginnen. Ik wou weten waarom het was fout gegaan, waarom ma zo kortzichtig en ouderwets dacht. Ik wou weten wat ik moest doen, ik wou mezelf beschermen en afschermen van de negatieve invloed van ma, maar ik wist niet hoe ik dat moest doen.
Carmen had geen antwoord. Ze treurde, net als ik. Ze treurde om mij, en ik om mezelf.
We hadden het er over dat ik zou kunnen weggaan. Ik ben 18, en hoef me in principe niet te verantwoorden.
Maar zomaar weggaan leek me geen goed idee. Het is een grote stap. Waar moest ik van leven? Waar moest ik wonen of slapen? Studeren en gaan werken? Zomaar weggaan kon niet zomaar.
In ons eerste gesprek zaten we hopeloos vast.

Niets was ooit wat het leek.

En alles veranderde snel. Heel snel.

Ik leerde Wim kennen. Uit de tijdschriften van Carmen leerde ik dat er jongerengroepen bestaan die jonge holebi’s een luisterend oor willen bieden, en waar je terecht kan als je het even moeilijk hebt met coming-out of andere holebi-thema’s. Je kan er ook langs voor een babbel, of meedoen met ontspanning en activiteiten, soms rond holebi-thema’s, soms zonder specifiek thema.
Met een ietwat bang hart had ik contact opgenomen. Holebi. Het klonk zo etiket-achtig. Was dat het wel?
Wim kwam me thuis opzoeken, dat was neutraler vond hij. Ik koos expres een woensdagmiddag, dan was ma niet thuis.
Tot zover de neutraliteit.

Het was een moeilijk gesprek. Ik wilde zoveel tegelijk, Wim wilde rustig stap voor stap dingen overlopen.
De zaterdag daarna was er een middag-activiteit met een paar medewerkers en andere holebi’s, hij nodigde me uit om mee te gaan en zou me op een cola trakteren.
Ik had eerst gelachen, maar hij meende het wel.
Ik ben naar de activiteit geweest. Ik had ma wijsgemaakt dat er een naschoolse sportactiviteit was, en ik wou m’n licht opsteken. Ik bleef expres vaag over tijdstip en inhoud en met wie… Ik wist het zelf nog niet goed, daarom dat ik gewoon eens ging kijken. Ma vond het goed.
Ik had inmiddels geleerd hoe ik op m’n hoede moest zijn en hoe ik iets kon bereiken zonder achterdocht op te wekken.
Ik deed het vroeger al, ik deed het al lang, ook toen ik een paar jaar geleden een trimester had gebrost. Het was een koud kunstje. Het ging vanzelf.

Diep in m’n hart was ik er van kapot. Ik hou niet van liegen. Het maakt het zo moeilijk. Je moet alles dubbel onthouden: De werkelijkheid en de leugens. Ik moest telkens mezelf wegcijferen. Jongens mijden. Het was vermoeiend.
Enerzijds lukte dat eigenlijk wel redelijk goed, maar anderzijds… Tegelijk de constante schrik dat alles zou uitkomen en alle moeite tevergeefs zou geweest zijn… Altijd achterom kijken. Chronische schrik.

Wim had me verteld over kamers. Op kot gaan. Ik moest elke ochtend een half uur fietsen tot aan het station, dan drie kwartier trein, en dan 20 minuten te voet tot aan school. Wim verklaarde me gek en raadde me aan om op kot te gaan.
We zochten uit hoe het met financiering zat. Ik wist op voorhand al dat ma dat nooit ging goedkeuren of toelaten. Ik ben er thuis ook maar nooit over begonnen. Ik zag het al voor me… Wat ga ik op kot doen… Stiekem met jongens afspreken… Alsof dat het enigste in de wereld is?!

Wim en ik hadden samen gezocht en een kamer gevonden.
Ik kon er blijven tot na de zomervakantie, een heel schooljaar.
Een typisch kot: keuken en woonkamer deel je met anderen, de kamers boven zijn privé en elk heeft z’n eigen kamer. Het waren ruime kamers: Een tweepersoonsbed, kleine bureauhoek en nog ruimte zat. Ik had al snel in gedachten dat ik één van de 2 vrije hoeken zou opofferen als PC-herstel-hoekje. Voor de andere hoek dacht ik aan een leuke staande lamp en zitzak of een hoek met alleen kussens. Het tweepersoonsbed ging geruild zijn met een éénpersoons, zo kon ik nog meer ruimte nuttig gebruiken. Een kennis had een klein TV’tje over en ging me dat bezorgen. Er was geen kabelaansluiting, maar via antenne kon ik toch naar de VRT kijken.
Het werd mijn kamertje, ik zag het helemaal zitten!

Ik wist niet hoe ik deze verandering aan ma ging uitleggen.
Ik wist wel dat het niet zou helpen om ma te overtuigen dat ik niet ziek ben.
Ik wil haar daar wel van overtuigen, maar niet nu, bewuste keuze. Ik heb m’n energie nodig voor mezelf.
Het kot zou afstand creëren. Wim zei dat het me de tijd ging geven om mezelf te vinden. Het leek of hij de deur op een kier liet tot verzoening.
Ik twijfelde sterk aan verzoening met iemand die vastgeroest zit in oude ideeën en niet zal wijken. En ik ging niet toegeven.

De financiering was nog niet rond: Werken en tegelijk studeren zag ik niet haalbaar. Het OCMW kan pas m’n aanvraag voor een uitkering behandelen als ik effectief nood heb aan de uitkering. Dus ik moet al weg zijn van ma voordat ze daar wat opstarten. Tot die tijd leef ik onder ma’s dak en moet zij voor mijn verzorging en opvoeding instaan.
Brieven en correspondentie ivm. de kinderbijslag en studiebeurs waren klaar en had ik op m’n computer staan. Bij de school kon ik terecht voor financiële hulp bij de aankoop van een laptop om bij de studies te gebruiken, ik studeer multimedia en communicatietechnologie. Een laptop en later dit schooljaar een fototoestel en diascanner, het zou een duur jaar worden.

Er is nog het zuinig gespaarde geheime spaarpotje. Maar ik heb er niemand wat over verteld. Dat leek me handiger.
Ik heb de hulpverleners en het OCMW niets verteld over de PC-herstel-klusjes.
Ik heb niets verteld over het geld dat ik terugkreeg van de NMBS: Ma had me een jaar-trein-abonnement gekocht, maar dat had ik niet meer nodig als ik op een kamer ging.
Eerder toevallig kwam ik erachter dat je het abonnement kon inleveren, de resterende tijd van de geldigheid van het abonnement wordt dan terugbetaald. Ik wist al dat je gewoon aan het loket kunt gaan, en je krijgt cash uitbetaald. Dat was het plan voor morgenochtend. Vandaag had ik het nog nodig. De laatste rit.

De enveloppe van Carmen bevatte wat geld. Het kleine briefje erbij leerde me dat ze dat samen met Edgar had gedaan, buiten ma om. Carmen is een bondgenoot. Ik ben haar nog steeds dankbaar!

M’n spaarpotje.
Altijd geweten dat ik het ging kunnen nodig hebben. Ik glimlach om die gedachte. Nooit was m’n ma erachter gekomen dat ik geld van het vakantiewerk achterhield. Nooit was ze er achter gekomen hoeveel de PC-klusjes me opbrachten. Nooit kwam ze iets te weten over Carmens enveloppe.
Ik hield het zorgvuldig bij, en was van plan om er onopvallend mee om te gaan. En alleen te gebruiken voor dingen waar geen vragen moeten over gesteld worden.
De laptop en camera zou ik via de school-financiering regelen. Leven en m’n onderhoud van het leefloon van het OCMW. Ja. Het ging goed komen met me!

Ik heb het spaarpotje tot nog toe maar voor één grote maar noodzakelijke aankoop aangesproken: Een GSM.
Volgens het contract moest je minstens 18 jaar zijn, maandelijks een vast bedrag voor het abonnement. Daar kwamen nog gesprekskosten bij. De eenmalige activatiekost was weggevallen, ik had ‘geluk’ omdat er net een promotieactie liep. Ik klaagde niet, weer 500 frank gespaard!

de GSM was een Nokia. Lag zwaar in de hand, met een uitschuifbare antenne voor als de ontvangst niet van goeie kwaliteit was. Desondanks een stevig en goed toestel.
Het werkte, ik heb de telefoon voor ma verborgen kunnen houden. Ik belde er eigenlijk vooral Wim mee op, of hij mij. De SMS-functie was handig. Een kort bericht sturen, hij las wanneer het hem paste. Vonden we handig!

Vandaag is het zo ver.

Ik zit in de trein.
Ik ben onderweg naar m’n kot. Gisteravond de sleutels opgehaald, afgelopen nacht met moeite kunnen slapen.

Ik heb thuis niets gezegd.
M’n broer weet niets.
M’n ma evenmin.

Ik heb een brief op tafel gelegd, ma zou die moeten vinden als ze thuiskomt van ‘r werk:

Ma,

Vanavond kom ik niet naar huis. Morgen ook niet. Je moet me niet zoeken. Ik woon voortaan op een kamer in Kortrijk en blijf verder studeren.
Ik heb tijd en rust nodig om mijn homo-zijn te verwerken en te aanvaarden. Ik omring me met mensen die me daar bij helpen.
Ik wil niet dat je me komt opzoeken. Ik geef je geen adres, omdat ik niet wil dat je langskomt of wat dan ook.
Als je denkt klaar te zijn om te praten, contacteer me op onderstaand telefoonnummer. Het is m’n eigen GSM-nummer.

Dennis

Niets is wat het lijkt.
Ik had voor mezelf uitgemaakt hoe en wat. Ik had geen tijd meer nodig, ik wist al lang dat ik homo was. Ik wist het al 6 jaar. Het was wennen in het begin… M’n kameraden op de speelplaats gluurden naar de meisjes, ik naar m’n kameraden. Dat was vreemd, maar al gauw aanvaardde ik dat gevoel.
Ik genoot van de ontelbare keren dat ik met Mathieu samen in één kleedhokje stond of zat, en we elkaars lijf verkenden… De eerste keer onwennig en ‘per ongeluk’, dat onwennige was snel weg, bij ons alle twee. Vanzelf.
Toen wist ik het zeker: Ik ben homo. Ik hield het voor mezelf. Mijn geheim. Mathieu wist het ook. Ik zag Mathieu alleen bij het zwemmen. Hij kwam nooit thuis, op de speelplaats lieten we mekaar met rust. Hij ging me niet verraden. En ik hem niet. Hij wist ook wel dat hij dat niet kon maken, want dan konden we elkaar niet meer zien. Ik heb altijd gedacht dat zijn ma net zo eng was als de mijne.

Ik genoot van Bas z’n overgave, ik genoot van de stille zwijgzame spontane automatische zelfzekerheid van Stijn…

Ik kijk rond me, en ik zie jongens en jonge kerels. Ik kan dagen later nog vertellen wat ze aan hadden, welke kleuren en welke schoenen, … Of ze een leuk lijf hadden of er triest bij liepen.
En meisjes of dames… Mja. Iets extra-opvallends zoals een hoed of roze hakjes herinner ik me vaag. That’s it.

Ik weet al 6 jaar dat ik verliefd word op jongens. Dat gaat vanzelf, ik forceer dat niet, ik hou dat ook niet tegen. Het voelt vreemd, omdat ik nooit heb kunnen proeven van wat het is om liefde aan iemand te geven. Het is nieuw, onbekend, maar het voelt tegelijk lekker en plezant. Het maakt me blij!

Ik was bang van de reactie van ma en de familie, en terecht, zo is gebleken.

De schrik maakte me ongelukkig, het is er niet beter op geworden. Ik wil van dat gevoel af, zonder mezelf te moeten wegcijferen. Nee, dat was het laatste dat ik ging doen.
Ik wil ruimte laten voor een gesprek, maar op mijn voorwaarde. Ik heb de voorbije 6 jaar niet voor niets geworsteld met mezelf. Ik heb niet voor niets mezelf weggestopt en ‘het’ eerst zelf uitgezocht. Dat ging nog wat worden. Maar daar probeer ik nu niet aan te denken.

Het gaat nu om mij. Ik zit in de trein, op weg naar m’n kamer.

Niets is wat het lijkt.
Drie jaar geleden, toen ik van school veranderde, wist ik het al. Ik zou van huis weggaan de dag dat ik 18 ben.
Drie jaar hield ik het plan voor mezelf. En Carmen en Wim hielpen me om het plan te kunnen uitvoeren. Ik heb het nooit expliciet zo gevraagd. Het kwam als vanzelf. Ik gooide me, Carmen en Wim hebben me opgevangen.

Drie jaar dacht ik elke dag aan het plan.
Het spaarpotje maakt deel uit van het plan.

Vandaag is de dag. Ik ben al een paar maanden 18. De timing klopt niet volledig met het plan. Maar het plan was er, het plan is gebleven, en het plan is nu in uitvoering. Voor het eerst sinds lang voel ik me opgelucht, vrolijk, glimlachend, diep intens gelukkig.

M’n grote sporttas staat in het bagagerek boven me. Wim pikt me straks aan het station op. Hij brengt me tot aan m’n kamer. Daarna halen we wat eten en drinken, en de spullen die we eergisteren al hadden weggehaald: M’n computer, 2 dozen met kleren, m’n schoolboeken, enkel de dingen die ik nodig heb.
Daarna gaan we een klein feestje bouwen, met ons twee. Mijn eerste nacht op mijn eigen kamer.

Mijn eerste nacht alleen. Weg van huis. Weg van vroeger. Mijn keuze. Een nieuw leven. Een gelukkig leven. Een leven op een manier zoals ik het zelf wil.

 
 
[ einde ]

 
(c) Krabbat


Terug naar index | Terug naar hoofdstuk 9: Ik ben bang

Scroll Up