Hoofdstuk 9: Ik ben bang

Een por doet me opschrikken, de tweede por brengt me helemaal terug in de realiteit.
Ik kijk recht in de heldere ogen van Stijn. Hij zit nog steeds naast me, hij glimlacht. We zeggen niets. Hij voelt spelenderwijs in m’n trainingsbroek, op zoek naar m’n goesting.

We blijven zitten. Dromerig. Ik droom over van alles, en over niets, over alles en niets tegelijk.

Ik ben het kwijt.

Carmen voelt zich rot. Ze wou helpen maar het hielp niet. Het was niet Carmen haar schuld, ik kan haar niets kwalijk nemen. Tante en ma hebben gelogen.
Ik heb er nog niet met Carmen over gesproken. Ik weet niet goed wat ik moet zeggen, of wat voor nut het heeft om er over te spreken of naar te vragen.
Het is fout gegaan. Ik ben bang van wat er thuis staat te wachten. Een grandioze verwijterij, iets anders kan ik me niet inbeelden. Een gesprek, tussen reuze grote aanhalingstekens. Zoals die ene keer… De huisarts… Ik voel m’n maag weer keren, het idee alleen al…
Een gesprek tussen aanhalingstekens, zoals bij tante. Ik denk terug aan die middag. Ik huilde die dag, ‘s avonds ook. Ik was triest. Ik wist niet goed waarom. Omdat ik in de zo wijd gapende val was getrapt? Uit medelijden met mezelf? Uit ontgoocheling? Omdat ik bang ben van wat er thuis staat te wachten?
Ik was geschrokken.
Maar ik heb niets verkeerd gedaan. Tenminste, zo dacht ik, en zo denk ik nog steeds. En daar hou ik me aan. Ik hou vol. Ik ben niet ziek, ik heb niets verkeerd gedaan.
Ik vond het leuk met Bas, ik vind het leuk met Stijn. En vroeger met Mathieu…

Meisjes doen me niets. M’n oudste neef, Maarten, een jaar jonger dan ik, vertelde wel eens dat hij stiekem op een meisje gluurt. Ik herinner nog goed de manier waarop hij vertelde. Stiekem, geheimzinnig, bijna mysterieus. Ik wist eerst niet wat ik er moest van denken, tot hij Saskia beschreef, één van de oudere nichten in onze familie. Ik luisterde maar half toen hij vertelde hoe hij z’n pik voelde hard worden toen hij op het strand naar haar kleine bikinietje keek. Ik begreep hem niet. Wie gluurt nu naar z’n nichtje? Ik vond het een vieze gedachte.
Ik gaf het toen zelf ook op, het gluren naar Maarten.

Mathieu was anders. Mathieu was leuk. Ik was nieuwsgierig. Ik wou hem aanraken. Hij negeerde me niet, hij leek het wel leuk te vinden, hoewel hij nooit echt reageerde of zelf contact zocht. Maar hij hield me nooit tegen. Behalve die ene keer…

Ik zag hem op een woensdagnamiddag. Ik ging zwemmen. Ik kon niet heel goed zwemmen, maar ik vond het leuk om in het water te ploeteren, baantje te trekken, de krullende lange kronkelende snel-glijbaan zo snel mogelijk afgaan…
En zo moest ik niet thuis rondhangen op woensdagmiddag.
Ik herkende Mathieu, hij leek de glijbaan ook leuk te vinden, en hij ging net als ik na het glijden en bekomen van de landing meteen terug de trap op en aanschuiven. Nou ja, aanschuiven… Er was wel altijd wat volk op woensdag in het zwembad, maar weinigen van onze leeftijd en weinigen die in de wilde glijbaan geïnteresseerd waren.
Ik had hem aangesproken. We stelden ons aan elkaar voor. We zaten in dezelfde school, hij in de andere klas van mijn jaar, en toch was hij een jaar ouder. Hij had het eerste jaar gedubbeld, vertelde hij me later. Z’n ouders wilden hem persé in de Latijnse, maar hij bakte er niets van. Hij leek het niet erg gevonden te hebben dat hij z’n eerste jaar moest overdoen. Hij kreeg wel z’n zin: De “gewone” richting, net zoals ik.
Ik had hem op de speelplaats en tijdens de middagpauze wel al eerder opgemerkt. Hij liep vaak alleen. Een beetje een stille jongen, leek wel. Maar waarom zou ik hem aanspreken?

Niets was wat het leek.

De stille jongen op de speelplaats was alles behalve stil tijdens het zwemmen. Een vrolijke, uitgelaten, altijd-lachende kerel. Met een mooi lijf. Hij moest al veel langer en regelmatig zwemmen. Slanke sportieve jongen. Z’n zwemslipje strak rond z’n kontje. Ik kon wel uren naar z’n kontje kijken. Op de trap van de glijbaan stond ik het liefst achter hem, kon ik kijken… En ik keek… Graag… Ongegeneerd, hij had het wel eens gezien maar het stoorde hem niet. Mij ook niet. Wat een mooie kerel was hij…
Ik was altijd super opgewekt na de zwemmiddagen. Ik zocht er lang niets achter. Ma al evenmin, ze vond het goed dat ik op woensdagmiddag iets te doen had, en niet op straat rondhing of op het speelplein met uitschot optrok. Uitschot. Zo noemde zij hangjongeren. Slordig gekleed, vuile gescheurde jeansbroeken die elk moment van hun kont konden vallen, anderen met veel te wijde trainings in opzichtige kleurcombinaties, … Nee. Dat paste niet in ma “haar kraam” en was bijgevolg verboden om mee om te gaan.

‘k Vond het jammer. Ik was best jaloers op hun mooie trainings en nieuwe Adidas-kaptruitjes.
Maar die kleren zijn duur. Ma kocht voor broer of mij nooit nieuwe kleren. Op de één of andere manier kwamen er af en toe kleren bij, altijd al gebruikte kleren, nooit eens wat nieuw. En mijn oude of te kleine kleren gingen naar m’n broer.

Het weinige zakgeld en de weinige franks die ik in het geheime doosje bewaarde, wilde ik niet aan nieuwe dure kleren uitgeven. Ik spaarde het. Ik wist niet waarom. Tenminste, dat had ik mezelf wijsgemaakt.

Niets is wat het lijkt.

Tegelijk stoorde het verbod me niet. Bij het groepje hangjongeren waren er een paar die ik nog kende van in de lagere school. Ik meed hen. Ze hebben me jarenlang gepest, ik was als vreemde jongen uit de stad in hun klas neergezet en vanaf dag 1 het doelwit van pesterijen. Het was pas over toen ik naar de middelbare school was gegaan.

Ik was blij met Mathieu. Hij pestte niet. Hij was leuk, ontspannen, hij deed me elke woensdagmiddag even alles vergeten.

De gedachte aan Mathieu en z’n mooie lijf doen me helemaal wegzinken. Ik val schuin voorover, Stijn weet me nog net tegen te houden. Hij krijst schaterlachend, of het wel goed met me gaat.
Ik lach mee. Onze blik kruist heel even. Ik voel me week en slap worden. Tegelijkertijd kruipen we dichter tegen mekaar.

Stijn voelt en woelt nog steeds in m’n trainingsbroek.
Breed glimlachend leg ik mijn hoofd op zijn schouder. Hij legt zijn hoofd tegen het mijne. Dok. Niet hard, maar het doet wel ‘tonk’. We lachen weer even. Ik sluit mijn ogen. Ik luister. Ik kijk weer voor me uit. Stijn z’n hand heeft mijn harde paal vast. Mijn hand heeft Stijn z’n harde pik vast. We zitten tegen elkaar leunend, onze ene hand onzichtbaar en weggestopt in onze training, ongehinderd door enig ondergoed, elkaars dierbare “Ik” vasthoudend. Ons geheim.

We blijven zo nog een tijdlang op het platform voor de strandcabine zitten.

We staren naar de golven
In de verte. Onverstoord rollen ze
Af en aan, heen en weer
Dichterbij komend en diep terug

Ze ruisen
Ze gooien zich op
Witte koppen spatten alle kanten op

Ze vallen neer
Met donderend geraas
Veraf
Geraas
Ver weg

Het gedonder klinkt als een zachte streling
De golven trekken weg
Het gedonder is niet meer dan zacht geruis

Stijns warmte houdt me warm.
Omdat het zo goed voelt. Omdat ik niets fout doe. Omdat het me gelukkig maakt.

Niets is nog wat het eerst leek.
Niets is niet meer wat het eerst was.

Zondag.

Een heerlijke septemberzon had gisteren de kust veroverd. Het weerpraatje van Pien beloofde voor vandaag dezelfde warme stralende zon.
Carmen en ik staan klaar om een horde dagjesmensen te verwennen.
Voor de gelegenheid was een zondagse lunchmenu samengesteld: Minestrone, slaatje met paté of met 3 scampi in de kruidenboter gebakken, als voorgerecht, en als hoofdgerecht een steak met friet. Belgischer kan het niet. De dagjesmensen lusten het als koude pap.

De middag vliegt voorbij. De drukte klinkt als vanouds: Gezellig, rustig, ongedwongen, typisch voor de ouderen die zich niet moeten haasten en van hun zondags dagje-uit willen genieten. De voordelig geprijsde lunch maakt hun stemming er alleen beter op. De selectie Belgische kost wordt niet in vraag gesteld. Carmen presenteert zoals steeds de betere producten aan een vlotte prijs.

Het restaurant blijft onophoudelijk vol zitten. Het lijkt er op dat niemand à la carte durft te bestellen. Ik blijf maar hollen en nieuwe ladingen scampi uit de koelcel halen, de steaks blijven maar bakken en menig frietkot kan alleen maar jaloers zijn op de hoeveelheid friet die Carmen vandaag bakt.

Rond half vijf vertrekt de laatste steak naar de zaal.
Niet veel later zitten we in het restaurant: Edgar, Carmen, Stijn en ik. We smullen van de scampi, straks komt er nog een flinke steak, Carmen had de grootste apart gehouden en ons elk één beloofd. Heerlijk!
De laatste klanten wensen ons smakelijk en bedanken Carmen voor haar kookkunsten. Carmen lacht en wijst naar mij. “Bedank hem ook maar, hij rent en springt en maakt jullie gerechten klaar, ik heb alleen maar de steak gebakken en frieten ingegooid!”. We lachen allemaal uitbundig.

De klanten vertrekken. De rust keert terug. Langzaam. Ik denk terug aan vanmiddag.
Glimlachend. Ik voel me tevreden en opgelucht.
Carmen had het veel te druk aan haar fornuis, na 3 of 4 tafels had Carmen me de pan en kruidenboter aangewezen. “Bak jij de scampi maar, want ik hou het niet bij”.
De eerste toonde ze me nog. 2 tot 3 minuten, kort bakken, flink heet vuur, licht peperen, geen zout want dat zat al in ruime hoeveelheid in de verse kruidenboter, scampi omdraaien en weer een draai aan de pepermolen en nog even met de pan schudden. Als ze ineen krullen en licht kleuren, zijn ze klaar. Bij de tweede pan had ik automatisch en ongevraagd een scampi extra geteld, om die te kunnen proeven om te weten wanneer die nu “echt klaar” waren. Ik kon toch niet elke keer op m’n horloge staan kijken? Of de helft te hard bakken?
Carmen had het gezien. Ze lachte. We grinnikten als twee deugnieten. Een schouderklopje. Korte afleiding, korte oppepper, ik jaagde de scampi’s aan hun juiste tempo door de pan, als een volleerde kok die al jaren niets anders doet.
Carmen keek. Carmen zag dat het goed was.

Dennis is terug de oude.

Niets is wat het lijkt.

Edgar giet nog wat wijn in ons glas.
Vanavond zou de keuken dicht blijven. De dagjesmensen staan op de snelweg in de file aan te schuiven. De septemberzon mag er dan een zonnige middag van gemaakt hebben, de avond valt straks snel en de koude zal genadeloos toeslaan.

Edgar feliciteert me. De klanten waren één voor één tevreden. Hij had m’n kookkunsten met bewondering aanschouwd en was erg onder de indruk.
Ik krijg het warm en koud tegelijk. Tranen schieten in mijn ogen, een krop moet ik wegslikken voor ik een ontroerde “dankjewel” kan prevelen.

Met het laatste in de fles wijn en een doorzichtig plastic bekertje ben ik terug op het platform van de strandcabine gaan zitten. Ik had Carmen verteld waar ik naar toe ging.
Niet veel later staat Carmen bij me, met een paar fleece-dekens. Krampachtig leg ik één over me. Ik had mezelf weliswaar warm ingepakt, maar met het fleece-deken erbij voelt het toch warmer. Een traan wandelt over m’n wang.
Ik weet niet waarom.
Ik prevel zacht een dank-je-wel. Een tweede en derde traan volgen snel. Carmen blijft even bij me. Ze gaat naast me zitten, ik voel dat ze haar ene arm om m’n schouder slaat.
Ik weet niet waarom.
Ik leg m’n hoofd tegen haar, tranen komen, tranen stromen, onophoudelijk. Eerst nog met gesnik, snel gaat het over in een jammerend klagend gehuil.
Ik ben bang.
Ik huil.
Als een kind.
Machteloos.
Losgelaten.
Achtergelaten.
Alleen.

De duisternis in mijn ogen is krachtig
Volkomen donker, zwart, oppermachtig

De leegte ruist
De stilte kruist

Wind raast
Razernij blaast

Arm om me heen
Even niet alleen

“Ik ben bang” fluister ik zacht.

Ik maak mezelf wijs dat ik gedoemd ben om met de bende ouderwets-denkende familie verder te leven. Elke keer dat ik daar durf aan denken, denk ik er vervolgens helemaal automatisch bij dat ik dat eigenlijk niet wil. Ik weet niet hoe ik er kan van af komen. Trouwen en verhuizen… Het eerste zal dik tegen m’n goesting zijn, en met een man trouwen, kan niet. Ik had wel eens gehoord dat het er losser en normaler aan toe gaat in Nederland. Ligt daar een toekomst voor mij? Ma rijdt om de twee weken naar Sluis om boodschappen. Misschien moet ik maar eens beter rondkijken? Maar naar wat? En wat als ma me ziet gluren of spioneren?

En dan nog… Wat brengt het op… Ik kan niet weg. Ik kan niet zomaar weg naar iets onbekends.

Een hoop vragen, en ik wist niet eens hoe het er volgende week zou aan toe gaan, als het werk er op zat, en ik weer thuis ging zijn. Ik maakte mezelf wijs dat ik niet wist hoe het er zou aan toe gaan. En tegelijk wist ik het wel. En ik zag er tegenop. Het hoefde geen aandacht of ik moest niet tobben, ik wist het zo wel al. Nieuwe zogezegde gesprekken. Opnieuw het bevel om naar de arts te gaan, opnieuw het bevel negeren. Want ik ben niet ziek.
Niet ziek.
Mijn maag krimpt samen, ik trek Carmen tegen me aan.

Carmen fluistert terug, haar stem klinkt gebroken.
“Ik weet het Dennis, ik weet het, mijn jongen.”

Voor één keer laat ik toe dat iemand door m’n haar woelt. Voor één keer voel ik me heel even niet alleen.

 
 
(c) Krabbat

Terug naar index | Terug naar hoofdstuk 8: Een nieuw begin | Verder naar hoofdstuk 10: Niets is wat het lijkt

Scroll Up