Hoofdstuk 8: Een nieuw begin

Woensdagmiddag. Mijn tweede week in het restaurant. Het schooljaar is opnieuw begonnen, althans voor het lagere en middelbaar onderwijs. Je merkt het op het strand en in de restaurants: Overdag blijven ze leeg. Pas ‘s avonds komen de weinige overgebleven toeristen, kinderloze stelletjes en ouderen weer buiten.

Het is middag. De zon staat hoog en brandt. De ijzige wind sleurt alle warmte weg.

Ik zit bovenop een houten strandcabine.
Het is de strandcabine van Edgar en Carmen. Op het strand is zand opgespoten. Zo kunnen eigenaren hun strand-tuinhuis tegen hoog water beschermen.
Het zand rondom is langs alle kanten opgewaaid, en vormt zijdelings aangebouwde torens. Ik kom zo makkelijk op de cabine. Steven had het me wel eens getoond.

Ik kijk naar het einde van het water. De vloeiende onzichtbare overgang met de hemel.
Een eenzame wolk drijft traag voorbij.

Diep in gedachten gezonken. Tobbend over de voorbije dagen.

Ik glimlach. Kort denk ik aan iets leuks, en ik glimlach. Ik lijk het dagelijkse te overstijgen, daar hoog, bovenop de cabine.

Niets is wat het lijkt.

Ik denk aan Stijn.
Hij was er zondag: Vrolijke leuke kerel, iets jonger dan mezelf, jaar of 15, of net 16, schatte ik.
Harde werker. Beetje stil. Zondagochtend betrapte ik hem op rukken: ‘k Was wat vergeten en rende nog snel naar de kamer. Hij stond met z’n rug naar de deur, z’n trainingsbroek op z’n knieën. Hij draaide z’n hoofd opzij en zag dat ik het was, hij deed verder geen moeite om z’n bezigheid te camoufleren. Hij bleef me aankijken en rukte verder.
De zondagavond deed hij dat opnieuw, maar hij begon pas nadat hij had gevraagd of ik hetzelfde wilde doen: We rukten onszelf klaar en tegelijk keken we naar elkaar. Met onze favo trainingsbroek op onze knieën.
Ik glimlach even. Mijn gedachten nu zijn even wild en ongeordend als dat moment met Stijn… Wat was dat leuk…
Had Carmen dit bedoeld met “je vindt een leuke jongen”? Zou ze weten dat Stijn homo is? Was hij wel homo? We hadden alleen samen gerukt, niets anders gezegd of verteld. Niemand wist wat, bedenk ik me. Angst overmeestert me. Angt waarvoor?

De wind valt weg. Onaangekondigd. Onverwacht. Een rilling loopt langs m’n hele lijf. Scherp als de net ontdekte angst.

Ik staar naar het zand vlak voor de cabine. Alsof ik mijn verloren glimlach zoek. Ik kijk weer op. Mijn blik staart even eindeloos als het einde van de zee en de hemel.
Hun raakpunt zindert onder de schroeiende hitte.

Ik denk aan de afspraak straks. Ik ga bij m’n tante langs.
Carmen heeft met ma en tante gepraat, Carmen vertelde me pas nadien over de ontmoeting. Ze had er een goed gevoel bij. Ze voelde aan dat ik met m’n ma moest praten, en we zouden er uit komen. Ik was wat geschrokken, maar stelde haar actie wel op prijs.
Ja. Ik ging met m’n ma en tante praten. Dat was het plan, een goed plan.

Ik was vergeten dat niets is wat het lijkt.

Gejoel naast de strandcabine haalt me uit gedachten.
Ik kruip er af, ik maak het slot van de leenfiets los en ga fietsen. De wind is weer opgekomen, en voelt even ijzig aan als daarnet.
Eén voordeel zie ik er wel in: In het terugkeren zal het “wind-mee” zijn en zal ik met weinig moeite moeten trappen.

Ik vergeet de angst.
Ik vergeet dat niets lijkt op wat het is.

Al bij het begin van de lange oprijlaan zie ik geen auto’s van bezoek staan. Ma is er dus nog niet.
Tante biedt me een cola aan.
Ze praat wat over de computer. Ze heeft net een nieuwe gekocht en wil hulp bij het werken in Excel. Of ik daar kan mee werken en haar wilde wegwijs maken?

“Ja natuurlijk, maar dan wil ik thuis kijken in m’n schoolboeken en die cursus gebruiken om je er vertrouwd mee te maken.”.

Ik proef onzekerheid, maar kan het niet kaderen.
Ik proef zenuwachtigheid, maar kan het niet benoemen.

Ik zink weg in gedachten.

Ik hoor m’n tante opnieuw wat zeggen, maar ik luister niet.
Ze knalt een boek voor me op tafel. Ik kijk naar mijn cursus Excel. He? Ik kijk haar vragend aan.
Met rood aangelopen gezicht schreeuwt ze woedend dat ik m’n ma geen onrecht mag aandoen, dat ik m’n ma moet vooruit helpen in plaats van in de schande te duwen. Ik schrik en tranen springen in mijn ogen.
Ik doe mijn mond open en wil wat zeggen, maar ik krijg er geen geluid meer uit.

Huilend als een 5-jarige die z’n beloofde snoep niet krijgt na het opruimen van z’n speelhoek, trap ik op de pedalen. Ik trap als een bezetene. Ik wil weg uit dit oord, weg, weg, weg, helemaal weg ja!

Ik had een moment gezien om te ontsnappen.
Ik luisterde niet meer. Ik huilde. Als een klein kind. Uit woede. Dat ik zo dom en zo blind in deze val was gelopen.
Ik huilde en dacht na: Hoe kom ik hier weg? Op een stil moment draaide ik m’n hoofd naar de klok, ik schrok, ik prevelde dat ik weg moest, dat ik over een half uur moest werken. Verrast en onhandig, met mond vol tanden had ze het schuifslot van de zijdeur gehaald en glipte ik weg.
Ik had gespeeld dat ik schrok. Ik had nog twee of drie uur, maar ik wou er weg. Ik wou dit niet aanhoren. Ik wilde dit niet. Ik voelde me verraden. Ik was boos om mezelf. Waarom was ik in deze val getrapt?

Niets was nog wat het leek te moeten zijn.

Carmen ziet dat ik heb gehuild. Flink gehuild.
Ik gooi er alles uit. Ze twijfelt of ik wel kan of wil werken. “Ja, laat me maar doen, heb ik tenminste wat om handen”. Ze knikt, ze neemt me in haar armen en drukt me troostend tegen haar boezem.
Ik voel me wegzakken, het voelt vreemd, en tegelijk warm, een nieuw gevoel maakt zich meester van me, een onbekend iets borrelt en zwiert gejaagd door heel m’n lijf. Ik knijp hard om haar lijf. Ik heb het gevoel dat ik dit meer wil doen, maar ik kan het niet uitspreken.

We moeten een tijdje zo gestaan hebben. Ik ben uitgehuild, althans zo voelt het.
De eerste klanten komen binnen, Carmen begroet hen. Carmen wenst me sterkte, en fluistert dat ik straks elk moment mag roepen als het even niet gaat, en ook de volgende dagen. Dat ze klaar staat voor me.
Ik knik, ik zie dat Carmen door heeft dat ik niet goed door heb wat ze zegt.

‘s Avonds na het eten doet Edgar een fles wijn open. Nou? Weekdag? Zal vast niet voor ons zijn, denk ik.
Mis.
Edgar schuift ons alledrie een glas voor. De sfeer wordt realistischer, warmer, huislijker. Ik was de hele avond in gedachten ver weg. M’n gedichten lonkten. Ik wou m’n Beer even heel lang heel erg hard tegen me hebben. Zo’n lange knuffel zoals met Carmen.
De wijn maakt me los. Ik kijk weer op. Een kleine glimlach komt tevoorschijn.
Edgar nodigt me uit om morgenmiddag bij hem boven langs te gaan. De hoogste verdieping van het huis, wat anders verboden terrein is. Hij legt uit dat hij een hele collectie CD’s heeft en wat wil laten horen, als ik daar zin in heb. Er staat ook een snooker-tafel en wil weten of ik geïnteresseerd was om te leren snookeren. Want geen van de andere gezinsleden is fan van snookeren.
“Ik hoef dat niet te leren, m’n pa heeft dat destijds aangeleerd, toen ik 7 was, toen hij dat eerste jaar na de scheiding m’n broer en mij elke veertien dagen kwam ophalen. Ma klaagde altijd dat we op café zaten. Maar pa heeft me wel leren snookeren.”
Ik beschrijf de volgorde van de kleuren, de start-opstelling en basis-spelregels. Verbazing maakt plaats voor enthousiaste warmte.

De avond verloopt relaxt. Ontdooid.

Carmen kijkt een paar keer met een blik van “jongen, wat heb ik ontzettend spijt van wat ik heb gedaan, het was niet zo bedoeld en ik zag niet dat dit zo ging lopen”.
Maar we zwijgen er over. We begrijpen dat ik er zelf moet over beginnen, maar tegelijk weet ik het niet zeker. Ik zie het even niet meer. Ik heb rust nodig.

Ik kruip in bed met Beer dicht tegen me aan. Heel even is hij niet m’n hoofdkussen maar mijn troost. Mijn Plushke.

Donderdagmiddag verloopt rustig. Net voor de start van de avond-shift deelt Carmen mee dat m’n ma ‘s avonds na de shift me oppikt, en vrijdagmiddag terug afzet. Zodat ik even verse kleren kan halen.
Haar ogen lijken te zeggen dat ik ook met ma moet praten. Ik ben haar voor. Ik vraag of ik even kan bellen.
“Eh ja, natuurlijk.” en ze wijst het hangtoestel aan het begin van de keuken waar anders de klanten op bellen om te reserveren.
Ik vorm het nummer van Bas. Bezettoon.
Enkele keren, telkens bezettoon.
Ik probeerde nog één keer, maar al met de moed in m’n schoenen. Beltoon. Gerda neemt op, ze geeft me Bas door. Hij klinkt vermoeid, leeg, in zichzelf gekeerd. Ik maak me spontaan zorgen en spreek dat uit, maar hij komt niet los. Lange stiltes. Ik wist niet hoe daar mee om te gaan, een telefoongesprek is duur, je mag daar geen stiltes in houden.
Ik kan niets beters bedenken en vraag of ik morgenochtend kon langslopen. Nee, een afspraakje zag hij niet zitten. Hij verontschuldigde zich. Ik meende dat hij huilde. We namen afscheid.
Het vooruitzicht van Bas niet meer te zien, kraakt me. Het afscheid voelt zo immens hard, diep en zo onwezelijk definitief. Dat wil ik niet. Ik geloof het niet.
Tranen mengen zich met het afwaswater.

Deze keer was het wel wat het leek.
En ik weet het. Ik voel het. Ik kan er niet meer om heen. Ik ben Bas kwijt. Afgepakt.

Carmen heeft het gezien. Ik zwijg en doe enkel de afwas. Even geen vrolijke Dennis.
Een klant die een potje “paling maison” had besteld maar zich bedacht toen het werd geserveerd, stuurt het potje onaangeroerd naar de afwas. Ik hou het bakje opzij. Carmen vind het goed.

Ik eet met smaak de paling op, de pot saus lepel ik leeg tot er geen spat meer van overblijft.
Carmen ziet me en kijk goedkeurend. Ze wijst me een sporttas aan.
“ik had al snel door dat jij niet mee heen en weer gaat, jij blijft gewoon hier. Ik eiste bij je ma dat ze wat spullen inpakte, ze vond alleen je oude sporttas, zei ze. De spullen die je nu hebt, stoppen we hier wel in de wastrommel”.

Ik leg m’n bestek opzij, en dank haar voor het opwarmen van de saus en de vis. Het was lekker.
Edgar doet het glas wijn weer wat voller. De smaak bevalt.

Het is even stil.
Carmen vraagt voorzichtig wie Bas is.

Ik kijk haar strak aan, maar ik besef dat dat niet moet. Carmen is een bondgenoot. Ik wist nog niet welke strijd we gingen vechten.

Ik vertel dat Bas m’n vorige vakantiejob-werkgever was. Dat ik vaak over hem fantaseerde en gluurde, en hij mij eens begluurde terwijl ik me in de loods omkleedde. En bij me kwam staan toen ik in m’n ondergoed stond tijdens het omkleden, en dat we kusten. Dat we daarna nog meer leuke dingen gedaan hebben, zonder dat ik in detail ging over wat die leuke dingen precies waren. Maar aan haar breder wordende glimlach meende ik te mogen afleiden dat ze begreep wat ik bedoelde.
Ik noem express niet het werkhuisje op het land en noem express niet de zolder of het gras waar we leuke momenten beleefden. Ik dacht er wel aan. Ik glimlachte en droomde lichtjes.
Carmen kijkt geschrokken en tegelijk blij. “Heb je dan een vriendje? Is Bas je vriend?”
“Nee. Het telefoongesprek ging niet goed. Hij klonk weer als vanouds ingetogen en in zichzelf gekeerd”.
Weer stilte.
Slokje wijn.

Het voelt ongemakkelijk. Ik weet niet waarom.

Het is al laat, we wensen elkaar welterusten en zoeken onze kamer op.
Ik lig nog een tijdje wakker, nadenkend. Ik denk aan Bas en de hevige warme diepe intense momenten. Ik denk aan Stijn en de gekke manier van rukken. Niet zo heel erg gek eigenlijk, want m’n pik reageert en wordt snel hard. Met Plushke naast me zoekt mijn linkerhand z’n weg onder het laken. Met in gedachten Stijn, in z’n trainingsbroek op z’n knieën, z’n mooie sportieve benen, z’n mooi strak gevormde kont, z’n harde paal, rukkend… Met dat beeld in gedachten ruk ik me klaar. Ik ben te moe om droog te vegen of op te ruimen en val zo in slaap.

Vrijdagmiddag.
Ik zit in kleermakerszit op het houten platform vóór de strandcabine. Gebukt. M’n voorhoofd steunt op m’n polsen, m’n ellebogen steunen op m’n knieën.

Druilerige regen roffelt op de daken van de strandcabines.
Meeuwen tieren en janken wanordelijk door elkaar.
De zee gooit de witte schuimkoppen op het strand en trekt ze terug mee, de dieperik in.

Ik probeer alles te vergeten. Denkend aan niets.

Een zachte streling langs m’n arm haalt me uit gedachten.
Ik draai m’n hoofd en kijk recht in twee ogen.
De ogen glinsteren.
Kleine glimlach. Ondeugende glimlach.

De streling houdt aan.
De hand zoekt zich in een weg achter de elastische band van m’n training.
Ik laat het toe. De ogen houden m’n blik vast, zonder knipperen.

Ik geef me over aan het frisse gevoel van de koude vingertoppen.
Ze zoeken een weg diep in m’n training, langs de binnenkant van m’n dij.
M’n plots hevig hard geworden pik lijkt te worden genegeerd.
Warmte raast wild als gloeiende kolen door heel mijn lijf.
Ik sluit mijn ogen en geniet.
Afgeleid. Ontvoerd. Even ontsnapt. Tijdloos vrij gevoel.

Niemand weet het. Alleen de eigenaar van de glinsterende ogen en ik.
Niemand ziet het. Zo dicht zitten we tegen elkaar.

De wind waakt over ons.
De zee overstemt ons.
De koude verwarmt ons.

Niets is wat het lijkt.

 
 
(c) Krabbat

Terug naar index | Terug naar hoofdstuk 7: Zonder afscheid | Verder naar hoofdstuk 9: Ik ben bang

Scroll Up