Hoofdstuk 7: Zonder afscheid

Opnieuw gilt de wekker me wakker.
Garfje draait zich en krult in de bekende bolle houding op z’n andere zij.
M’n Beer ligt naast me. Ondersteboven.
Onwillekeurig glimlach ik. Net zo ondersteboven als ikzelf.
Ik zucht even.
Ik sta op. Ik schrik bij het voelen van de onbeweeglijke deur. Ja, die had ik op slot gedaan. Ik draai de sleutel in tegengestelde richting om. Het slot klikt. De moed zakt in m’n schoenen. De gedachte aan Bas z’n warme lijf doet me koud rillen. De gedachte aan z’n glinsterende pretogen maken me week en doen me huilen. De gedachte aan het gras, z’n handen, z’n warme stem, het maakt me allemaal hulpeloos en stuurloos. Ik voel mezelf niet meer door m’n knieën zakken. Ik huil niet meer maar tranen stromen als niets. Eindeloos. Alles. Weg. Op.

Ik voel iets hards in m’n zij. Onwennig open ik mijn ogen, ik kijk om me heen. Erg traag zie ik de pastelgroene deur duwen. Het wit van de muren tolt nog als een zotgedraaide kermistol.
In de verte hoor ik een stem. Schreeuwen. Angst. Onzekerheid. Ik krimp ineen. Ik voel me schuifelen en laat de deur opengaan. Ma staat met een bedrukt gezicht voor me. Ze steekt haar armen uit.
Ik lijk wat te fluisteren. Ik hoor zeggen dat ik niets wil, geen nood aan iets. Of niets.
Ik hoor dat het mijn stem is. Gebroken. Rauw. Kil. Als een rasp. Versleten rasp.

Ik weet niet hoe lang ik in mekaar gezakt tegen de deur heb gelegen.
Ik weet niet hoe lang ik onder de douche heb gestaan. Lang. Te lang.

Ik zie van ver al Bas staan. Ik ga onbewust harder trappen. Ik gooi m’n fiets op de oprit, ik gooi mezelf in Bas zijn armen. Ik hou me in, Bas sust me, hij moet wel voelen dat ik schok alsof ik wil huilen.
“Bas… Ik weet het niet meer… Ik mag je niet meer zien…”.

Gerda is er bij gekomen. Met aandacht heeft ze geluisterd. Ik hoor ze telefoneren. Ik hoor ze vragen om langs te komen.
Ik schrik licht. Was ze met m’n ma aan het bellen?

Het gesprek gaat niet goed.
Gerda is scherp, voor ma en mij. We moeten met mekaar praten, maar geen van beide wil. Koppigheid.
Ik kijk hulpeloos naar Bas. Ma ziet het. Ze springt recht. In razernij trekt ze me bij m’n arm naar buiten en dwingt ze me op m’n fiets. Briesend jaagt ze me naar huis. Ik ben al een stuk weggefietst, maar hoor nog steeds erg luid de achterdeur dichtslaan.

Ik rij niet naar huis. Ik fiets de andere kant op. Naar het kanaal. Naar de bruggen. Ik zoek aan de zijkant, weg van het jaagpad, een stil plekje. Ik lig op m’n rug, starend in de hemel. Ik huil. Ik wil nergens zijn. Ik ben het kwijt. Ik wil weg. Ik voel me verraden.

Nog snikkend zit ik in het gras. Ik besluit om naar huis te rijden, maar wel via Bas. Ik wil hem zien en vasthouden. En ben er tegelijk toch niet gerust in.
Met de moed in m’n schoenen stap ik op m’n fiets. Onderweg ben ik meer afgeleid en in gedachten verzonken dan dat m’n fiets recht rijdt.
Twijfelend en toch enigszins opgelucht draai ik de oprit op. Het huis is stil. Ik kijk over de oprit naar het land. Niets dat er op wijst dat Bas daar aan het werk is.
Teleurgesteld draai ik wat rond. De loods is ook stil. Dus zal iedereen in de serres zitten. Een nieuwe confrontatie met Gerda zie ik niet zitten. Ik stap m’n fiets op en rij naar huis. De trappers voelen zwaar. De zon schroeit. Ik huiver.

Het is thuis stil. Geen andere fietsen, OK, dat gaf me weer wat moed.
Op de keukentafel ligt een briefje:
“Spaghetti in microgolf opwarmen, hoogste stand en 2:30 als tijd. Ben laat thuis”.

Er naast ligt een wit papier, een gesloten envelop. “Dennis” staat er in bijna hetzelfde geschrift als het spaghetti-briefje, maar dan netter en op een rechte lijn.
Nieuwsgierig open ik de envelop:

Dennis,
Morgen blijf je thuis, je gaat niet meer bij Gerda en Bas werken. Leg het verdiende geld klaar, het is nodig om je studies te betalen.
De rest van de vakantie ga je naar zee. Met tante Mireille hebben we een plek bij een vriendin van haar geregeld. Je vertrekt morgen, je blijft er logeren tot de dag voor je lessen starten, eind september.
Tussendoor kom je 1 dag naar huis, ivm. kleren wisselen.
Maak je valies klaar, we vertrekken morgen om 9 uur.

Ma

Ik blijf de rest van de middag op m’n kamer. Garfje vleit constant tegen me aan. Ik heb de deur op slot, de gordijnen dichtgeschoven.
Ik huil. Ik schrijf gedichten. Het één na het ander. M’n hart luchten. Alles op de computer, ma mag niets lezen. Dit gaat ze me niet afnemen.

Het is ochtend. De auto glijdt met eentonig gebrom door het vlakke toonloze landschap van de uitgestrekte polders.
Ik zit onderuitgezakt aan het raam naar buiten starend. Ik zit rechts achteraan, voor m’n gevoel zo ver mogelijk bij ma vandaan. De onzichtbare muur voelt massief en kolossaal aan. Het weer is omgeslagen. Laatste week van augustus en het is buiten net zo triest als het einde van de herfst.
Wolken in grijstinten, een donkergrijze wolk in de verte lijkt op de grond te staan. Niets is wat het lijkt. Regen kondigt zichzelf aan. Een felle hoekige witte streep zet de omgeving kort in het licht. het plotse licht verdwijnt in het niets bij het daglicht.

De auto stopt in een zijstraat van de dijk. Ik kan net over de top van de dijk zien, ik zie aan de horizon de hemel overgaan in de zee, kleurloos.

In het oude huis zit een monumentaal venster, met sierlijke ingetogen krullen afgewerkt. Ik kijk er stilletjes naar. “Restaurant Carmen”, in sierlijke handgeschreven lijnen. Binnen staan tafeltjes, gedekt met een set glazen en glimmend bestek. Witte servietten en kleine glazen flesjes met meiklokjes.

Meiklokjes? In augustus?
Niet is wat het lijkt, denk ik weer.

Een joviale oudere man begroet ons. Althans, hij lijkt wat ouder. Of komt dat door de zware baard en snor waarvan het zwart hier en daar werd onderbroken door witte lijnen?
Een vrolijke dame lacht ons toe. Ze stelt zich als Carmen voor. De man is haar man, Edgar. We gaan het restaurant binnen en worden uitgenodigd om aan een tafeltje te zitten. Ik hoor ma en Carmen dingen bespreken. Logement, bedragen, regeling met werkuren en opsta- en rusttijden, dat ik niet te laat mag gaan slapen. Carmen lijkt het goedkeurend te slikken. Haar donkere ogen gluren even naar me. Een knipoog. Een fris opluchtend gevoel raast door me. Ik onderdruk het gevoel, en blijf op een stoel hangen, het gesprek vanop een afstand volgend.

Wat later vertrekt ma. Ze wil nog een knuffel geven. Ach, wat een gedoe. Vertrek nou maar, dacht ik. En ik duw haar van me weg. “Zorg voor Garfje, alsjeblief”.
Ik pak m’n tas en sta klaar om naar boven te gaan, ik heb al gehoord dat m’n kamer op de eerste verdieping was. Toch even uit beleefdheid wachten om de trap op te hollen. Stel je voor dat ik plots een andere kamer binnen ging…

Carmen en Edgar tonen me de kamer: 4 slaapplekken, ik ben de eerste en mag kiezen. Ik kies de matras achter de dwars-staande kleerkast, aan het raam. Vanuit de deur kan je alleen m’n voeten zien.
Ik word even alleen gelaten, over een kwartier moet ik me in de keuken van het restaurant melden.

Carmen is druk bezig met pannen en potten. Logisch, zij is de kokkin. Edgar doet de zaal en de bar.
Carmen legt me uit wat ik moet doen: De groente op de borden schikken… Sla, tomaat, ze toont me waar ik welke bakken vind, en hoe de koelhoudende lades en het systeem van de metalen bakken in de lades werkt.
Ik merk dat ik snel in de gaten heb hoe het systeem werkt. Nog voor de bak met sla leeg is, vraag ik waar ik ‘verse sla’ vindt, om de bak te kunnen aanvullen. Carmen lacht verbaasd.
“Eh, ja, alle sla is wel vers, maar waar vind ik om de bak aan te vullen? Straks is die leeg…” panikeer ik lichtjes.
We lachen, Carmen zet even een pot van het vuur en gaat me voor naar de kelder, ze wijst me de koelcel en diepvriezers.
Indrukwekkend… Een koelkast met een deur breder dan een voordeur, en zo groot zodat je er gewoon kunt in rechtstaan… Ongelofelijk… Vol bewondering kijk ik om me heen. Ik zie alleen eten. Vlees. Groente. Vis. Alles vers, glunderend verlangend wachtend tot liefdevolle handen hen zou bewerken tot een bijzondere creatie op het bord.

Carmen had verteld dat de middag-shift rustig zal zijn, ideaal als “eerste poging”. Op weekdagen moet ik ‘s middags bij de lunch helpen met het klaarmaken van de borden. Nadat de laatste middaglunch de keuken verlaat, gooien Carmen en ik ons op de afwas. Het lijkt dan wel telkens een afwas van 2 weken, maar toch is die berg van slechts één enkele middag. Tussen 3 en 5 uur ben ik vrij. Van die twee uur wordt wel een uur opgeslokt voor het middageten en nabesprekingstijd.
De rest van de tijd mag ik zo vaak mogelijk met hun kinderen, Eliane en Steven, naar het strand gaan. Schelpen zoeken, zandtaartjes maken…
‘s Avonds doe ik de hele avond de afwas, in m’n eentje. De borden worden door Birger klaargemaakt, de vaste keukenhulp, en hij moet ook veel meer doen dan enkel borden. Hij doet kindergerechten, holt naar de koelcel als Carmen wat nodig heeft: vacuum-voorverpakte steaks, diepgevroren scampi of een assortiment zeevruchten-kroketten, de jutte zakken met verse mosselen, …
In het weekend komt er nog een knul helpen bij de afwas, Stijn. Mannetje van 16 uit de buurt, maar omdat het de weekends ‘s avonds vaak laat wordt, blijft Stijn ook slapen. Volgens Carmen kiest hij doorgaans het bovenste deel van het stapelbed. Carmen kijkt recht in mijn ogen wanneer ze over Stijn vertelt. Een onwennig gevoel kruipt langs m’n rug omhoog.

Ik heb het naar m’n zin. Ik denk niet meer aan de tomaten of chrysanten. Ik ben blij – onnoemelijk opgewekt blij – dat ik uit de buurt van m’n ma ben. Ik voel aan mijn kleine teen dat het een bijzonder leuke tijd gaat worden!

‘s Avonds, nadat de laatste klanten buiten zijn en de “grote avond-opkuis” moet beginnen, komen Eliane en Steven me vragen wat ik wil eten.
“eh… hoezo… eten?” Carmen buldert van het lachen. Ze neemt haar kinderen tegen haar, stelt hen aan mij voor en mij aan hen. In dezelde rateling vertelt ze dat ze mij niet over het avondeten had ingelicht.
Na de laatste shift mogen we nog een snack uit de diepvries kiezen: Stukje pizza, een kroket of een frikandel.
Niet echt een volle maaltijd, maar zo moeten we toch niet met een lege maag naar bed.

Carmen en ik storten ons op het laatste deel van de avond-afwas. Even onwennig… Zo’n tempo waarmee zij door de afwas gaat… Snel vinden we onze draai: Carmen wast en spoelt af, ik droog af en probeer zo snel mogelijk de spullen op te bergen. Het is eerst nog wat zoeken, vrijwel automatisch ging ik de spullen benoemen en riep Carmen zonder opkijken waar ik ze moest neerzetten. Snel-werkende truc. Ik was helemaal “in m’n element”.
In geen tijd is de keuken netjes. In het restaurant nemen we plaats aan de grote tafel die de keuken-doorgang enigszins van het restaurant scheidt. Er staan 2 flessen cola op tafel. Eliane regelt bestek, Edgar zet een reeks glazen klaar. Steven was druk in de weer met een zak voorgesneden frieten, en een verzameling kroketten en frikandellen.
Carmen kijkt me glunderend aan. Ze slaat vriendschappelijk op m’n schouder. Ja, dit wordt heerlijk!

Na het eten gaan Eliane en Steven naar hun kamer. Uitgelaten en blij wensen we elkaar slaapwel. Ik blijf nog even bij Edgar en Carmen, niet goed wetend of dit wel kan of hoort. Tenslotte ben ik een vreemde…
Carmen kijkt me aan. Of ik een biertje of wijntje lust. “Eh nee, thuis drinken we… eh… nee, ik eh…”.
Carmen merkt m’n twijfel. Ik kijk haar hulpeloos aan. “Ik…”
Edgar staat recht. Ik volg z’n blik. Hij neemt drie wijnglazen en een fles witte wijn. Hij vult 2 glazen en zet één bij zichzelf en Carmen neer. Het derde glas zet hij mij voor, met een kluts wijn, amper een vinger hoog.
Met warme stem raadt Edgar me aan om eens te proeven. Als ik het niet lust, zal hij wel wat anders zoeken tot ik iets lekker vind. We lachen. De spanning valt weg. Ik proef een slok. Ik weet niet wat ik moest verwachten. Het smaakt fris, als fruitsap, of water met flinke fruitsmaak, en iets onbekends branderigs. Ik neem een tweede slok. Edgar lacht goedkeurend en doet m’n glas halfvol.

Carmen blijft me aankijken, bijna staren. “Dennis… Wat wou je daarnet zeggen?”
Ik schrik. Ik kijk Carmen aan, onbeweeglijk. Weer die spanning. Carmen gaat recht op haar stoel zitten, ze legt haar arm voor me, haar hand bijna bij me.
“Dennis, we gaan iets afspreken. Jij zult hier bijna een maand werken en logeren, je maakt vanaf nu deel uit van ons gezin en doet met ons gezin mee. Voor je werk in de keuken wordt je netjes betaald zoals we hebben afgesproken, daarbuiten doe je wat je wil, maar weet dat we voor mekaar geen geheimen houden en niets stiekem gaan doen. Akkoord?”
Ik fluister stilletjes “akkoord”. Ik ben helemaal van de kaart… Deel van het gezin… Doen wat ik wil… Had ik dat goed gehoord?
“Dennis… Dromer… Waar dacht je daarnet aan? Mogen we weten wat je dwarszit?”
“Ma drinkt. Ik denk dat het veel is. Ik niet, dit glas wijn is m’n eerste alcohol in mijn leven. Ma drinkt soms 3 of 4 Leffes. Afgelopen week zeker één avond had ze er 6 op”.
Edgar en Carmen kijken me aan. “Is dat per week?” kllinkt het bezorgd.
“Nee, elke avond. Tegen dat ik ga slapen, ligt ze in slaap in de zetel. Ik doe altijd de TV uit en de dimmer minder zetten. Van de week was het meer, ze …” Ik stok even, en slik een krop door. Ik kan met moeite een traan bedwingen. “Ze… Ze had veel gedronken. Ik had 3 of 4 lege flesjes op de salontafel gezien, en 2 of 3 in de keuken. Ze wou met me praten maar ik wist niet wat ik moest zeggen. Ze wou me naar de dokter sturen, maar dat wil ik niet. Ik ben niet ziek!” Ik roep niet, ik ben angstig, ik huil. Ik merk het zelf niet.
Carmen sust me.
Edgar staat recht en wenst ons welterusten. Zijn voetstappen op de trap sterven weg. Ik neem nog een slokje wijn. Het is sterk spul maar het lijkt me wat rustiger te maken. Of dat denk ik toch.
We blijven een tijdje in stilte zitten. “Wat ga je doen, Dennis?”
Ik kijk onbegrijpend. “Ik ben niet ziek, ik ga niet naar de huisarts. Ik voel me goed zoals ik ben. Alleen… Waarom vind niemand anders dat ook?” Ik snuif een laatste traan weg.
Carmen kijkt me nog steeds aan, ik word er wat ongemakkelijk van.
Ze neemt weer m’n hand vast. Met een zachte warme bijna fluisterende stem vraagt Carmen me: “Je ma weet iets van je dat je voor jezelf wilde houden, is het niet?”
“Ja” zucht ik. “Ja. Ma weet dat ik homo ben en ze wil me naar de dokter sturen, om te genezen. Ze heeft me verboden om met jongens om te gaan. Wat niet moeilijk is, ik mocht al niet uitgaan ook.”
Carmen kijkt me aan, met haar mond scheef, ze schudt ongelovig haar hoofd… “Jij? Niet uitgaan? Kom op, je bent 18, we leven toch niet in de middeleeuwen? En jongens… Ach… Kies een goeie, ze zijn zo lief”. Ze lacht breed en knipoogt.
“Je vindt heus wel iemand leuks, hoor, kerels genoeg. Ik ken er wel een paar, je moet er eens mee kennismaken!”
Het voelt alsof een jarenlange last van me afglijdt. Eindeloos. Verlossend.
“Zie je wel, ik ben niet ziek…” mijmer ik. “Het voelt zo goed, zo vanzelf, ook met Bas”.
Ik schrik van mezelf. Ik heb Bas niet meer gezien of gesproken.
Ik neem me voor om hem morgen tijdens m’n middagpauze te bellen. Ik ga hem uitnodigen om eens een middagje langs de dijk te wandelen, samen wat uitwaaien, wij twee alleen.

Met een tevreden glimlach gaan we naar boven. Carmen wenst me nog slaapwel, in mijn kamer vind ik niet meteen de lichtschakelaar. In het donker zoek ik m’n weg. Ik trek m’n slaapshortje aan en kruip onder het fris aanvoelende donsdeken. Ik voel aan m’n shortje. Het Mathieu-shortje. Ik voel m’n paal hard worden. “Hee lekkerd, je bent er weer. Leuk” dacht ik bij mezelf, terwijl ik mijn linkerhand rond mijn paal klem.

 
 
(c) Krabbat

Terug naar index | Terug naar hoofdstuk 6: De brief | Verder naar hoofdstuk 8: Een nieuw begin

Scroll Up